Waarom eiwit een ondergrens is en de rest een bandbreedte
In onze gerechtruil mag eiwit ruim omhoog en nauwelijks omlaag. Dat is geen willekeur maar hoe coaches er in de praktijk mee omgaan.

Toen we het ruilen van gerechten bouwden, moesten we bepalen hoeveel een vervangende maaltijd mag afwijken. Het lag voor de hand om overal dezelfde marge te nemen. Dat bleek fout.
Kilocalorieen zijn een venster. Te veel is bij iemand die afvalt net zo verkeerd als te weinig bij iemand die aankomt. Vijf procent naar beide kanten: op 2500 is dat 125 kcal, genoeg om te merken en klein genoeg om nog iets te vinden.
Eiwit is dat niet. Vraag tien coaches wat er gebeurt als een klant twintig gram meer eiwit binnenkrijgt dan gepland, en tien halen hun schouders op. Vraag wat er gebeurt bij twintig gram minder, en je krijgt een verhaal over spierbehoud tijdens een tekort. Het is in de praktijk een vloer, geen streefwaarde -- en dus behandelen wij het zo: ruim omhoog, nauwelijks omlaag.
Koolhydraten en vet zijn de schuifruimte. Als kcal en eiwit kloppen, moet het verschil ergens vandaan komen. Deze twee vangen dat op, dus daar hoort de marge het breedst.
Suiker is een plafond. Onder je doel blijven is geen afwijking maar de bedoeling. Een symmetrische band zou een suikerarm gerecht afkeuren, wat niemand wil uitleggen.
De les zit in de vorm en niet in de getallen. Vier waarden die er hetzelfde uitzien in een tabel, gedragen zich alle vier anders. Ze met een generieke marge behandelen is de makkelijke keuze, en hij levert een ruilknop op die precies de goede gerechten weigert.
En als er niets past? Dan tonen we wat er net buiten valt, met het verschil erbij. Een lege lijst is de slechtste uitkomst van een knop die je aanbiedt.


